Gedichten

cropped-picture-95.jpg

Zwillbrocker Venn

Rijp ademt weer boven de takken

die in hun witbriljante schittering

hangen over de randen van de

bevroren vlakte, weer opstijgt uit

een verleden dat voor eeuwig leek

te zijn bijgezet in een film die

plotseling is stilgezet

 

En met het dichtvriezen van het

laatste wak en de plotse terugkeer

van het winters jaargetij glijd ik

weer als vanouds over de glinstering

van een hemels dak dat zich uitstrekt

over de hel van Dante onder mij

waarin een vis naar zijn laatste adem hapt

 

Thuisfietser

het waait maar hij voelt geen wind

het regent maar hij wordt niet nat

hij heeft de natuur opgesloten in een kast

 

zijn benen voelen zwaar

maar draaien gestaag

in het perpetuum mobile

van de stilstaande beweging

 

hij schakelt verlichting

de helling is digitaal

tien procent en tweedimensionaal

 

het zonlicht treft het zonlicht

 

hij stapt af en doet de gordijnen dicht

Wielergoden

Ik wil ze niet zien, de kleine mannen

op het leer, de groten van weleer, die als

adelaars vlogen boven de ravijnen van de

Aubisque, die op weg naar San Remo

de Poggio niet voelden, die als Noerejev

dansten over de Oude Kwaremont, die als

een locomotief door de woedende polderwind

stoomden en nooit last hadden van pijn

of beesten in hun kont

 

Ik wil ze niet zien, de dwarse Breton

commandant van een machteloos en

uitgeteerd peloton, het Vlaams-

Waals compromis dat Belgiƫ verbond

de Italiaanse protagonist, zwevend

boven het altaar van een katholieke sport

 

Ik wil ze niet zien staan naast een

ereschavot, want nooit waren zij knecht

en winnaars rijden nooit lek, ik wil ze

niet horen als commentator in een hok

waarin ze worden gepropt als een mens

geworden God

 

Ik wil dat ze zwijgen, voor altijd zwijgen

onzichtbaar en onaanraakbaar blijven

neerkijken op de kakelende en kwetterende

ondermaanse bende vanaf hun hoge top

van mythe en legende